ons / onszelf

Werkwoorden die alleen wederkerend gebruikt kunnen worden, zoals zich bemoeien, zich gedragen, zich inbeelden, zich schamen en zich vergissen, krijgen in de eerste persoon meervoud gewoonlijk ons bij zich. Uitzonderingen zijn tot zichzelf komen, op zichzelf wonen, buiten zichzelf zijn/raken en zichzelf zijn. Die combinaties krijgen onszelf bij zich.

  • We schamen onszelf voor onze fouten.
  • We hebben ons vergist.
  • We zijn bang om op onszelf te gaan wonen.
  • Sinds het ongeval zijn we onszelf niet meer.

Bij werkwoorden die zowel wederkerend als niet-wederkerend gebruikt kunnen worden, zoals wassen, scheren, aankleden, bezeren, en verwonden, wordt meestal ons gebruikt. Als het wederkerend voornaamwoord beklemtoond is, wordt onszelf gebruikt.

  • We hebben ons eerst gewassen en geschoren, daarna hebben we ons aangekleed.
  • Toen we de oude pleisterlaag wilden verwijderen, hebben we ons bezeerd.
  • We hebben eerst onszelf gewassen en aangekleed, daarna pas ons dochtertje.
  • We hebben niet onze tegenspelers, maar onszelf verwond tijdens de wedstrijd!

Bij sommige van die werkwoorden is er een sterke voorkeur voor onszelf, maar in enkele gevallen is daarnaast ook ons mogelijk.

  • Het was niet onze bedoeling om onszelf te bevoordelen.
  • We hebben onszelf iets wijsgemaakt.
  • We zien onszelf / ons nog niet naar de rechtbank stappen!
  • We achten onszelf / ons daar niet toe in staat.

Na voorzetsels wordt gewoonlijk onszelf gebruikt. Als het voorzetsel een plaatsaanduidende functie heeft, wordt ons gebruikt.

  • Dat hebben we aan onszelf te wijten.
  • We houden onze mening liever voor onszelf.
  • We zagen het al voor ons!

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons